De duivel achtervolgde me naar het kamp

Posted by:

|

On:

|

Ik was pas zes maanden bekeerd toen dit gebeurde. Zes maanden sinds ik besloot om mijn leven aan Jezus te geven. Zes maanden van strijd, bevrijding en hoop, maar ook van oorlog.

Mijn familie was er tegen. Ze zeiden dat ik gek was geworden. Veel daarvan was ook uit vrees. Vrees voor de dood.

Alle ooms en tantes kwamen praten omdat “mi wan’ lib’ den bigisma sani fu go dini a wet’ mang gado”.

In onze familie hadden we altijd te maken gehad met het culturele. Op de een of andere manier werden alle eerste dochters in de familie gekweld door een geest die geen enkele gebed of pai tegenhield. Offers, rituelen, pai’s, wasi’s dat was ons leven. En toch… ondanks al die dingen, was er geen vrede.

Vanaf mijn kindertijd werd ik ’s nachts mishandeld in mijn slaap. Het voelde alsof iemand me vastgreep, me krabte en sloeg maar als ik wakker werd, was er niemand.

Ik zag wel de littekens en had overal pijn. Soms hoorde ik mijn naam buiten. De stem was niet luid, maar genoeg om je bang te maken, soms voelde ik adem in mijn nek alsof iemand dichtbij me lag.

Niemand begreep wat er gebeurde. Mijn moeder bracht me voor wasi’s, luku’s, soms moesten we een pai doen, maar niets hielp.

Het openbaarde zich bijna elke dag. Op den duur werd het zo erg dat ik niet meer naar school kon.

Als de geest zich openbaarde, sprak het met een stem die niet van deze wereld was. “Mio kii eng, mio kii eng” zei hij.

Natuurlijk wist ik niets. Ik hoorde het achteraf en voor de familie was het weer rennen voor hulp, geld ophalen, smeken en bidden dat ik met rust gelaten werd.

Uit pure wanhoop liep ik op een zondag een kerk binnen. Ik was bang om te sterven, maar zo te zien kon ik het niet vermijden. Maybe kon ik hier wel hulp vinden.

Maar the devil doest not care.

Het moment ik mijn voet in de dienst zette, voelde ik iets over me heen komen. Ik viel neer alsof ik dood was. Ik hoorde mensen bidden, sommigen riepen de naam van Jezus.

Toen ik bijkwam, was het alsof ik uit een diepe put was gehaald. De pastor keek me aan en zei dat ik na de dienst bij hem moest komen.

Hij vroeg hoe ik heette en zonder dat ik mijn situatie aan hem voorhield vertelde hij me precies wat het was. “Er is je gezegd dat je zal sterven. Je bent niet zomaar gekomen. God heeft een plan met je. Je gaat niet sterven, maar je moet niet bang zijn.”

Ik nam Jezus die dag aan. Vanaf dat moment begon de oorlog pas echt. De aanvallen stopten niet, ze werden juist erger.

Mijn moeder huilde elke dag uit vrees dat ik nu wel dood zou gaan. Ze zei dat ik met haar mee moest voor een andere wasi.

Ik werd lichamelijk soms heel zwak waker terwijl ik de avond ervoor gezond was.

’s Nachts zag ik nu schaduwen die zich bewogen, een man die over me heen boog en me probeerde te wurgen.

Ik kon niet bewegen, niet schreeuwen. Het enige wat ik kon doen, was denken: Jezus.

Ik had geleerd dat er kracht is in Zijn naam. Dus fluisterde ik het: “Jezus… Jezus… Jezus…” Totdat bij de laatste roep mijn stem het uitschreeuwde: “Jezusssss!” En plots verdween de schaduw.

Alles werd stil. Die avond heb ik rustig geslapennacht had ik geen vrees meer. Ik voelde een warmte, een vrede. Ik bad, zong zachtjes en sliep de rest van de nacht zonder aanval.

Ik dacht dat het voorbij was, maar de duivel kwam terug.

Soms in dromen, soms als fluisteringen in de kamer. Lichamelijk ging ik ook achteruit, maar de dokter kon niets vinden. Ik bleef volhouden, want na die eerste getuigenis wist ik dat Jezus groter was. Bovendien had ik overal geprobeerd zonder resultaat. Nu had ik tenminste een beetje rust.

In september kondigde de gemeente het jaarlijkse kamp aan. Een week vol machtige diensten, gebed, lofprijzing. Ik voelde in mijn hart dat ik daar moest zijn.

Twee weken ervoor werd er bij ons thuis ingebroken. Alles was weg. Toch vond God mensen die voor me betaalden, kleding kochten en zeiden: “Zuwena, jij moet naar dat kamp.”

Een paar dagen voor het kamp werd ik ziek. Zo ziek dat ik nauwelijks kon lopen. ’s Nachts droomde ik dat een man me zei: “Als je durft te gaan, vermoord ik je.”

Ik werd badend in zweet wakker. Ik was bang, maar ik wist: dit was de duivel die me probeerde tegen te houden. Dus ging ik toch.

Die avond voordat ik vertrok had ik overal pijn. Ik voelde letterlijk alsof alles in mijn lichaam brak. Ik lag stijf en kon nauwelijks bewegen.

Mijn moeder belde de lukumang en mijn zusje belde de pastor. De pastor kwam eerst aan met zijn team. Toen ik eindelijk kon spreken weigerde ik alles van de lukumang.

Mijn moeder huilde en zei de pastor dat ik dood zou gaan. De pastor zei: Ef me dini wan libi Gado a meisje die no dede.

Ze streden en de geest liet me met rust. De volgende ochtend ging ik tegen alle waarschuwingen van me moeder naar het kamp.

Vanaf de eerste avond op het kamp begon de strijd. Zodra het licht uitging, zag ik weer die zwarte gestalten, groot, zwaar, met ogen vol haat.

Ze kwamen op me af en ik gilde. De zusters baden met me, de broeders streden en ik hield vol. Elke ochtend stond ik vroeg op voor Morning Glory, het ochtendgebed. Daar, tussen de andere gelovigen, smeekte ik God om totale bevrijding.

Ik had letterlijk geen rust op het kamp en soms schaamde ik me. Ik wilde bevrijd zijn van deze last.

Op de derde dag zou een profeet komen. Iedereen was enthousiast, we voelden dat er iets zou gebeuren. Maar die avond kon ik nauwelijks uit bed.

Ik was ziek, zwak, en bang. Zou ik toch doodgaan, misschien moest ik luisteren en niet komen. Toch vroeg ik de zusters: “Breng me naar de dienst. Ik moet daar zijn.”

Toen de profeet arriveerde, veranderde de sfeer. De kracht van God vulde de ruimte. Terwijl hij begon te bidden, voelde ik iets in me tekeergaan.

Mijn lichaam begon te beven, stoelen vlogen om, mensen baden in tongen. En toen… werd alles zwart.

Ik weet niet hoe lang ik daar lag, maar ik hoorde een stem in mijn geest zeggen: Laat je dopen.

Toen ik wakker werd, vroeg ik meteen: “Wanneer kan ik gedoopt worden?” De leiders besloten het de volgende ochtend te doen.

We gingen naar een recreatieoord niet ver van het kampterrein. Toen ik in het water stapte, voelde ik dat iets me zwaar maakte.

Ik was bang dat ik niet meer bovenop zou komen. Maar toen ik onderging en weer boven kwam, voelde ik het, iets liet me los. Ik hoorde in mijn geest een schreeuw, en toen stilte.

In een flits zag ik in de menigte schaduwen verdwijnen, en een onbekende man stond in het midden.

Hij glimlachte naar me. Zijn gezicht straalde, niet als een mens, maar als licht. Ik wist: Jezus had me vrijgemaakt.

Vanaf die dag heb ik nooit meer last gehad van die demonen. Geen wurging, geen schaduwen, geen angst.

Mijn moeder, die alles had meegemaakt, gaf haar leven later ook aan Christus. Ik ben nu al 5 jaar bekeerd.

Later volgden mijn tantes, mijn nichten, allemaal die ooit gekweld waren door dezelfde macht.

Waarvan ik 100% zeker ben is dat er kracht is in de naam van Jezus.

—EINDE—