Toen Mariska verhuisde, wist ze één ding zeker: haar buurman is een rover. Dit was niet de buurt waar ze graag wilde wonen, maar ze had geen keus. Ze moest dringend verhuizen en kon nergens anders een huurhuis vinden of ze waren niet betaalbaar. Hoewel ze zelf opgroeide in een ghetto is het geen plek waar ze graag wilde zijn.
Ze kon niet tegen de luide muziek uit meerdere richtingen, lachsalvo’s gemengd met geschreeuw van moeders, jongens op de hoeken, de drukte voor winkels die gekoppeld zijn aan een suribet kantoor, en de geur van alcohol en sigaretten in de lucht.

Ze had nauwelijks haar intrek genomen of het huis naast haar trok haar aandacht. Bijna elk weekend zat de stoep daar vol mannen. Ze sloot altijd alle ramen en deuren en piepte af en toe via haar gordijn. Harde muziek, cups met alcohol en sigaretten in de hand en dan had je buurman. Lang, gespierd, altijd in donkere kleding. Soms zag ze hem dagenlang niet.
Die is zeker een rover, dacht Mariska. Zijn naam hoorde ze voor het eerst toen een van de jongens riep: “Skrufu, tek wan sigaret tja kon giem te ye kon”
Mariska trok haar wenkbrauwen op.

Skrufu? Wie de hel heet Skrufu?, dacht ze
Het was een bijnaam, maar voor Mariska was het een naam die bij een rover paste.
De volgende ochtend kwam ze hem tegen bij de schutting. Hij zei: “Goedemorgen buurvrouw, welkom.”
Mariska keek strak en zei: “Thanks” en liep verder.
“Vandaag groeten ze je, maar tamara den e broko ju oso”, dacht Mariska.
Om die reden groette ze nooit terug. Als hij probeerde een praatje te maken, antwoordde ze kort of helemaal niet. Wanneer zijn vrienden kwamen “chillen”, zoals zij dat noemden, deed Mariska alles op slot. Ramen dicht. Gordijnen dicht. Alsof dat haar zou beschermen indien ze rovers waren.

Haar vriendin Stacy merkte op dat ze geen van de jongens van de buurt groette.
“Waarom doe je zo onbeschoft tegen je buurman?” vroeg ze op een middag terwijl ze op de bank zaten.
“Onbeschoft? Ik doe normaal”, antwoordde Mariska kort.
“Je doet alsof hij gevaarlijk is en je groet die jongens nooit, ook niet als ze je groeten.”
Mariska zei: “Laat maar, ik wil er niet over praten.”
“Weet je je hoeft niet goed te zijn op iedereen, maar ef’ wan san psa nanga ju na den sem boi die moes kon yepi yere”

Mariska zei: “Dat na ef mi fos’ no ab last fu deng”
Stacy merkte op dat het gesprek nergens ging en zei niets meer.
Het probleem ontstond toen er was ingebroken in de nieuwe Vitz van haar broer die voor het huis stond geparkeerd. Mariska was binnen toen ze hem hoorde schreeuwen en schelden.
“Mariska! Mariska! Den broko go ien a wagi! Boi saang! Me auto menn!”
Het gegil maakte Skrufu wakker en hij kwam vragen wat er was gebeurd.

Mariska viel hem gelijk aan: “No doe lek ie no sabi yere. Na ju nanga den mati fii. Esde oe be chille te lat’ lati dja. Rover!”
“No kar mi rover yere. Ie no sab’ mi. Ie denk’ na ala mang ien a ghetto e roof. Mi ab’ mi wroko yere, de ernstig”, en hij liep boos weer naar binnen.
Mariska en haar broer deden aangifte. Niet lang daarna werd Skrufu en nog een paar jongens opgepakt.
Skrufu stond buiten met twee anderen toen ze werden opgepakt.
“San mi doe! San mi doe!?” riep een van de jongens.

“Rustig!”, schreeuwde de agent terwijl hij hem hardhandig vastpakte.
“Buurvrouw! Buurvrouw!”, gilde Skrufu, “Tak nanga den kill mi no broko ju brada wagi”
Mariska kwam naar buiten. “Ja, oe sroto den! Soso rovers. Na so dee libi k’ba. Stelen terwijl anderen hard werken!”
De jongens gingen tekeer.
“Ey, ju toch m’o pur’ eng gii. No spang. Ie no sab’ oeng nieteens”
Op dat moment kwam Stacy aanlopen.
“Mi Gado, wat gebeurt er hier?!”, vroeg ze.

“Die rovers hebben ingebroken in de auto van mijn broer,” zei Mariska fel.
Stacy keek haar aan. “Ben je zeker?”
“Ja toch! Luku. Ze werken niet, maar ze rijden dure auto’s…”
Stacy schudde haar hoofd.
“Mariska, mang, je kan mensen niet zo beoordelen. Suma teigii dat den boi ne wroko, den boi…”
Voordat Stacy haar zin kon afmaken, zei Mariska dat ze niets wilde horen.
“Abung, maar den boi a no rover. Ik ken ze”, zei Stacy en ging weg.
Na verhoor werden de jongens heengezonden, want er was geen bewijs.

Mariska wist niet wat te doen. Ze was bang, maar bij Skrufu werd het ineens stil. Geen muziek, geen vrienden.
“Ze zijn bang”, dacht ze. “Ze doen het rustig aan, omdat de politie kwam”.
Na twee weken keerde alles terug naar normaal. Maar één ding ontbrak: het “goedemorgen”. Skrufu keek haar niet meer aan.
Tot die avond toen Skrufu een luide gil hoorde.
Het was thuis bij Mariska. Twee mannen waren haar huis ingebroken.
Hoewel hij boos was, handelde hij snel. Toen de mannen Skrufu zagen, vroegen ze hem om weg te gaan zodat ze haar een les konden leren.

Hij herkende de stem en zei: “Bolo, no toch of nanga a model. Oe tak wo lieb’ a san toch. Jo pot’ den tra mang na probleem yere”
De mannen gingen rustig weg, maar Mariska ging tekeer en vond dat ze rovers waren en dat Skrufu met ze samenwerkte.
Skrufu legde haar uit dat ze geen rovers waren. De mannen zijn boos omdat hun neefje onterecht werd opgepakt door de politie vanwege haar valse beschuldiging.
“Ie ne tak’ nanga no wan sma. Den mang fa tra blok fen’ tak’ dem leer ju wan les. Maar we hebben ze gewaarschuwd en gevraagd je met rust te laten. Niet iedereen is rover of is in een gang, maar we hebben familie en vrienden met wie we af en toe kunnen chillen”

Skrufu vertelde haar dat ze niets met haar zouden doen, maar haar gewoon bang wilde maken en leren dat ze niet beter is dan de andere mensen die in de buurt wonen. “Er zijn rovers ja, maar niet alle jongens die je op de hoek ziet, zijn rovers. Die jongens die bij me komen zijn me mati’s. We hebben allemaal een verleden dat we proberen achterwege te laten. Voor enkele is het gelukt, maar anderen struggelen nog”
“Waarom… waarom ben je me komen helpen?” vroeg Mariska zacht.
“Omdat je hulp nodig had.”
Ze slikte. “Ik voel me niet veilig.”
Skrufu keek haar aan.
“Waarom denk je dat we criminelen zijn?”
“Ik… ik weet het niet,” fluisterde ze.
Hij zuchtte.

“Niet iedereen die drinkt, rookt en een dure auto rijdt is een crimineel. Malo en ik werken bij een zwaar materieelbedrijf. Blaka werkt in het bos, daarom zie je hem niet vaak. En Melly werkt bij een aannemingsbedrijf. Koeliman en Gilly zijn hosselaars en Bongo verkoopt asisi, maar hij is geen rover”
Vanaf die dag veranderde haar houding. Om het goed te maken besloot ze het volgende weekend iets te doen voor de jongens om haar verontschuldigingen aan te bieden. Ze maakte een heerlijke Moksi Alesi met alles erop en eraan en bracht voor de heren, samen met twee flessen bier en soft.

Een keer toen ze wegging riep ze Skrufu: “Hi, ik ben er dit weekend niet hor. Yep mi luku a oso”
“Owh je zegt een rover dat er niet gaat zijn, mooi met je”
Mariska lachte en zei: “Ey no tak law law san yere”
“Ik ga je missen buurvrouw”, zei Skrufu. Mariska smilede verlegen en zei: “Ik ga doen alsof ik dat niet heb gehoord”
To be continued…
Wat heb je geleerd uit dit verhaal?

