Tien jaar geleden woonde ik tijdelijk weer bij mijn ouders.
Voor de grote supermarkt langs de hoofdweg zag ik vaker twee kinderen staan.
De eerste keer toen ik ze zag groetten ze beleeft: “Goedemiddag mevrouw kunt u een pak brood voor ons kopen”

Ik zocht er niets achter en kocht het, sinds ze niet om geld vroegen.
De volgende keer dat ik boodschappen ging doen, stonden ze er weer. Dit keer vroegen ze om een bosje tayerblad.
Ik kocht het en besloot ze te observeren. Ze waren er altijd na schooluren en vroeg om brood, eieren, groente of andere levensmiddelen. Nooit om geld. Wat me ook opviel: ze zagen er altijd netjes uit.
Ik begon ze vaker te zien en hielp als ik kon.

Op een dag vroeg ik:
“Waar wonen jullie eigenlijk en waarom bedelen jullie hier voor de winkel?”
Ze keken elkaar aan en zeiden niets.
Een paar dagen later nam ik een andere route naar huis. En daar zag ik ze. Ze stonden voor een huis. Ik stopte. Nog voordat ik iets kon zeggen, kwam een vrouw haastig naar buiten.
“Goedemiddag mevrouw. Ik heet Angela, bent u de moeder van die kinderen”, vroeg ik.
“Ja, het zijn mijn dochters. Hebben ze wat gedaan?” vroeg ze gespannen.

“Nee,” zei ik. “De kinderen hebben niets gedaan. Ze vragen me vaker om brood te kopen. Ik wilde alleen weten of ze naar school gaan en waarom ze voor de winkel staan.”
Toen keek ze naar de grond.
“Ooh, ze hebben me over u verteld,” zei ze zacht. “Dank u wel voor alles.”
Ik vroeg haar:
“Waarom laat u ze voor de winkel bedelen?”
Ze keek me aan vol zorgen alsof ze iets wilde zeggen, maar niet wist hoe.
“Mevrouw Angela…”
“Mama! Het is drie uur!” riep één van de dochters plotseling vanuit binnen.

De vrouw schrok zichtbaar.
“Ik moet gaan koken,” zei ze haastig. “Dank u. U moet nu weggaan. Kom een andere dag alstublieft.”
Voor ik iets kon zeggen, rende ze naar binnen. Terwijl ik wegreed, zag ik de kinderen door het raam naar me zwaaien.
Ik reed naar huis, maar kon het beeld niet loslaten.
Waarom die paniek om drie uur?
Waarom die angst in haar ogen?
De volgende dag ging ik terug.
Ze deed langzaam open. Ze kon nauwelijks lopen.
“Kom binnen,” zei ze zacht.
We gingen zitten. Toen vertelde ze me alles.

“Ik werk niet,” begon ze. “Mijn man is verslaafd. Suribet… en alcohol.” Haar stem brak. “Hij mishandelt me. Gisteren heeft hij me weer geslagen, omdat ik te laat klaar was met koken.”
“Maar… waarom werk je niet?” vroeg ik voorzichtig.
“Ik had een baan,” zei ze. “Maar hij zei dat ik geen eigen rekening mocht hebben. Alles werd op zijn rekening gestort. Maar al dat geld ging naar alcohol en suribet. Ik kreeg geen cent.”
Ze keek naar haar handen die plooi zagen van hard werken.
“Ik heb geen eten thuis. Maar ik heb een man die eten verwacht en kinderen die moeten eten. Daarom vraag ik de kinderen om levensmiddelen te vragen. Niet om geld, want hij neemt toch alles.”

Mijn hart brak. In de weken daarna hielp ik bewust waar ik kon, maar toen ik sprak over een baan vond ze het niet nodig.
“Het heeft geen zin. Hij neemt toch alles.”
Ik vroeg haar waarom ze nog blijft, maar ze zei dat ze niemand had. Ook had ze nergens om te gaan. Ze kan niet zelfstandig een huurhuis betalen.
“Waarom doe je geen aangifte?” vroeg ik.
“Mvr. Angela de laatste keer dat ik dat deed heeft zijn broer mij buiten laten slapen met de kinderen”
Ik besloot te praten met mijn broer en ze vond werk dichtbij huis. Ik besloot haar te helpen met het openen van een rekening. Om de situatie niet te verergeren vroeg ik mijn broer een klein deel te laten storten op de rekening van haar man, zodat hij niets zou vermoeden. De rest ging naar haar.
Zo begon ze te werken. De kinderen zag ik daarna niet meer bij de winkel.

Ik ging haar vaker opzoeken op haar werk. Ze deed haar best. Ze was sterk. Soms verscheen ze nog met blauwe plekken, maar ze hield vol.
“Waarom doe je geen aangifte?” vroeg ik altijd.
Ze keek dan weg. “Ik ben er nog niet klaar voor.”
Na twee jaar vertrok ik van mijn ouders, maar we hielden nog contact, maar daarna hoorde ik niets meer. Ik ging langs bij haar woning. Niemand. Mijn broer zei dat ze plotseling was gestopt met werken.
Ik maakte me zorgen. Maar ik kon weinig doen.
Zes maanden later was ik in Kirpalani toen ik iemand hoorde roepen:
“Mevrouw Angela! Mevrouw Angela!”

Een vrouw kwam op me af en gaf me een brasa.
“Kent u me nog?”
Ik keek haar aan. Ik herkende haar bijna niet.
“Ik ben het. De moeder van de twee kinderen die u had geholpen enkele jaren terug.”
Ik kon het bijna niet geloven. Ik omhelsde haar en vroeg haar hoe het ging en waar ze was. Ze zag er zo mooi en kalm uit.
“Mevr. Angela u bent de reden dat ik nu leef” zei ze. “U gaf me hoop. Door u begon ik te sparen. Door u geloofde ik dat ik het kon. Toen ik genoeg had, heb ik aangifte gedaan en ben naar Guyana vertrokken. Hij is gearresteerd.”
Ik kreeg tranen in mijn ogen. Waar zijn de meisjes?

“Mijn kinderen maken goed,” zei ze. “We praten nog altijd over u. Neem me nummer ze gaan echt blij zijn om u te zien”
Soms denk je dat je bepaalde dingen alleen in films zie of in verhalen lees, maar mensen maken echt veel mee. Soms hebben ze gewoon iemand nodig die luistert, die ondersteuning wil geven en ze kunnen duwen in de juiste richting.
Misschien kunnen we als samenleving niet alle problemen van het land oplossen. Maar wat we wel kunnen doen, is elkaar een helpende hand bieden waar nodig.
—EINDE—


Leave a Reply