Ik hield zijn hand vast bij het altaar. ‘Tot de dood ons scheidt’ hadden we elkaar beloofd. Maar ik wist niet dat de dood zo snel zou aankloppen. Toen ik trouwde, had ik niets anders in mijn hoofd dan samen oud worden met mijn man. Zoals alle andere koppels hadden ook wij plannen: verder studeren, ons huis bouwen, een eigen zaak opzetten, kinderen krijgen, reizen. Onze relatie had een sterk fundament. We kwamen beiden uit gebroken gezinnen. We waren ons bewust van die gevolgen en hadden daar openlijk over gesproken. We wilden het beter doen dan onze ouders.

We hadden elkaar eigenlijk gevonden. We hoorden bij elkaar. Twee mensen die bewust werkten aan hun relatie. De voorhuwelijkse counseling was daarom ook een belangrijke voorwaarde voordat we in het huwelijk stapten. Dat bracht ons dichter bij elkaar. We leerden hoe beter te communiceren, hoe om te gaan met meningsverschillen en we spraken over alles: geld, seks, opvoeding, huishoudelijke taken, alles.
En voor een koppel dat bewust werkt aan hun relatie betekent dit toepassen wat je hebt geleerd, fouten corrigeren, herstellen, verder gaan en het beter doen dan voorheen. We waren niet perfect, mensen zullen altijd hun flaws hebben, maar Sifrano en ik, we waren een match made in heaven. De drie jaren die we met elkaar mochten doorbrengen, waren drie jaren van pure liefde. Men zegt dat sprookjes niet bestaan, maar ik leefde er één. Een man die onvoorwaardelijk van mij hield en alles deed om mij blij te zien.
Als iemand me zou vragen of ik gelukkig was, zou ik oprecht vanuit het diepste van mijn hart “ja” zeggen. En het was niet de “ja” die als een berg staat voor een grote leugen of schaamte, nee – het was een “ja” die graag over die liefde wilde praten. Hij hield van me. Ik zag het in de manier waarop hij naar me keek. We waren drie jaar samen, maar elke keer als hij naar me keek, moest ik blozen. Hij vond het leuk en zei steeds: Ey Boi mi de ete na 3 jaar kan ik je nog steeds laten blozen. Ik moet echt smilen als ik terugdenk.
Ik ben een shy type, maar hij was vrij als een vogel. Hij vond het leuk om me aandacht te geven in publiek. Like de aandacht die me zou laten blozen. Hij was echt een plakband, een touchy kind of guy. Ik vroeg hem altijd om hem te gedragen, ‘laat me bil we zijn op straat’, ‘kan je niet zo naar me kijken’. En hij zei altijd: “Ik weet niet hoe anders te kijken als ik met de mooiste vrouw ter wereld ben.”
Ruzie was voor Fano, zoals ik hem noemde, geen reden om zijn liefde niet te tonen. Ik herinner me nog goed onze eerste grote ruzie, enkele maanden na ons huwelijk. De volgende ochtend lag mijn ontbijt gewoon klaar. Hij zette me af op het werk en na het werk wachtte hij keurig op me bij de parkeerplaats. Dat was het moment waarop ik wist dat hij echt van me hield. We hadden de hele ochtend niet gesproken. Tijdens de rit naar huis vroeg ik hem: “Waarom deed je toch alles voor me?” Wat hij me toen zei, vergeet ik nooit meer: “We gaan dit straks goedmaken. Maar als ik je nu negeer, onthoud je dat. En dat wil ik niet. Je moet nooit het gevoel hebben dat ik niet van je hou, ook als we ruzie hebben.”
Dat was het moment waarop ik me realiseerde dat hij écht van me hield. Vanaf die dag beloofde ik mezelf dat ik, ondanks boosheid of irritatie, mijn liefde zou blijven tonen in daden. Geen enkele ruzie zou komen tussen wat ik voor hem deed. Fano was echt een go gether. Als hij in de buurt was gaat niets verkeerd, zijn management skills waren geweldig, dat is de man die ik in huis had.
We bouwden samen een leven en ik heb heel veel van hem mogen leren. Fano was stipt. Hij hield zich altijd aan afspraken. Als iets niet lukte of als hij laat was, meldde hij dat netjes vooraf en dat verwachtte hij ook van anderen, ook van mij. Dit kon hem echt boos maken en tijdens onze verkeringsperiode heb ik geleerd om andermans tijd te respecteren, en om ook mijn eigen tijd te respecteren. Ik was voorheen een laatkomer, maar sinds Fano in mijn leven was veranderde dat. Ik heb nu nog steeds de gewoonte om op tijd aan te komen op afspraken.
Onze liefde was intentional. Ik gaf hem altijd een kus voordat hij het huis verliet. Hij kreeg weer een als hij thuiskwam. En op de dagen waarop ik naar kantoor moest, kreeg hij een kus voordat ik uit de auto stapte. Fano had ook zijn tekortkomingen, maar hij deed zijn best. En dat was voor mij voldoende. Een keer was hij onderweg naar zijn werk toen hij me appte:
“Babe, ik denk dat ik mijn badhanddoek op de bank heb laten liggen. Sorry, ik weet dat je niet ervan houdt. Kan je het voor me weghalen?”
Ik glimlachte en zei: “Geen probleem hoor babe, ik heb het al weggehaald.”
Weet je, ik deed deze dingen met liefde, omdat ik wist dat hij probeerde. Ik moest altijd lachen nadat hij me probeerde te verassen en dat bed had opgemaakt of had ‘gebezemd’. Ik plaagde hem altijd door te zeggen dat ik geen verschil zag, maar ik liet het bed zo staan want ik waardeerde zijn moeite.
Het zijn dit soort momenten die me nu vaak laten huilen, maar ook laten lachen. Mijn Fano, ook na zijn dood vergeet ik zijn liefde niet. Hij was de man die ik wilde, en meer. “Tot de dood ons scheidt”, hadden we elkaar beloofd. Maar we verwachtten de dood pas over tientallen jaren, als we heel oud waren. Niet drie jaar na ons huwelijk.
Twee jaar na ons huwelijk begonnen we met de bouw van ons huis. We wilden graag een kind, maar dat zou komen nadat we klaar waren met het huis. We waren bijna klaar met de bouw toen mijn wereld op z’n kop werd gezet.
Op 23 mei 2023 heb ik hem begraven.
Op 17 mei werd mijn leven een chaos. Er was geen voorteken, geen droom, geen vreemd gevoel. Het was een normale dag. In de ochtend vertrok hij, zoals altijd, met een kus op mijn voorhoofd. Kort nadat hij vertrok kwam mijn zusje om mij te helpen met een kleine verassing voor hem. Ik was zwanger en ik zou hem die avond vertellen. Uren later kwam het telefoontje. Mijn Fano was er niet meer.

Dagenlang heb ik mezelf de schuld gegeven. Hij was onderweg naar huis toen hij werd aangereden door een dronken bestuurder. Ietsje verder waar hij levenloos lag op straat, waren twee stukjes marmer cake, mijn favoriet. Hij was naar de cakeshop om mijn favo snack te halen. En ik herinner me dat ik de avond ervoor zei dat ik het lustte. Misschien als ik niets had gezegd, was hij er nog. Ik kon mezelf maar niet vergeven totdat ik mijn vader vertelde, die me wist te troosten.
Anyway, dat was Fano. Hij wist me altijd te verassen met dingen waarvan ik hield en ik kreeg alles wat ik vroeg. Alleen God weet hoe ik de eerste dagen ben doorgekomen. Anderen vonden mij sterk, maar eerlijk, ik weet niet wat ik zou doen zonder mijn vader en mijn zusje die er dag en nacht voor me waren. Ik was boos, boos dat ik had gevraagd naar cake. Boos op Fano dat hij me alleen liet in een wereld waarin ik niet wist hoe ik zonder hem moest leven. Boos op mezelf dat ik hem nog niet had verteld dat ik zwanger was. Alsof dat nieuws hem in leven had kunnen houden. Misschien niet, maar ik vond dat hij het moest weten.
De kracht kwam mede door het kind dat ik droeg. Een kind dat kwam, ondanks onze plannen om na de bouw te starten met ons gezin. Voor mij was het een teken dat Fano er nog wilde zijn. Een troost dat hij me niet alleen achterliet. Ik droeg de pijn, maar ik putte kracht uit het leven in mij. Niets mocht met ons kind gebeuren. Ons kind werd het kostbaarste wat ik van Fano over had.
De begrafenis was rauw. Ik viel letterlijk op mijn knieën en gilde om hulp. Mijn zusje wist dat te voorkomen, want ik was zwanger en mocht niet vallen. Ik kan niet tellen hoeveel keren ik God heb gevraagd voor een wonder, dat hij weer kon opstaan, dat hij me weer kom omhelzen, dat ik hem weer kon horen roepen: ‘babe ik ben thuis hor’.
Ik smeekte God om kracht en huilde tot ik niet meer kon. Mijn vader vroeg me om niet tekeer te gaan, anders zou ik worden weggebracht. Ik smeekte hem dat niet te doen. Hij hield me vast en bracht me naar achteren, waar Fano in het graf gelegd zou worden. Het was het pijnlijkste wat ik ooit heb moeten doen: de persoon van wie je houdt achterlaten op een plek waar je weet dat hij nooit meer terugkomt.
Ik heb nooit zo gehuild in mijn leven, nooit zoveel pijn ervaren. Eerlijk ik wens dit niemand toe. “Tot de dood ons scheidt”, maar niemand vertelt je wat je moet doen als de dood inderdaad komt.
Op het moment dat de kist dichtgaat en de persoon wordt weggedragen, voel je letterlijk de wanhoop. Er kan niets meer worden gedaan. Hij is echt weg. Toen de kist dicht ging en de dragemans kwamen wist ik dat het officieel het einde was. Ik bedelde mijn vader als een klein kind om mijn man voor te roepen, om hem voor me te brengen. De begrafenis was zwaar. Ik kon dagen niet echt eten, alleen drinken, maar ik deed mijn best. Ik droeg een kind. Na de begrafenis begon het ware gevecht.
Thuiskomen zonder Fano. Slapen in een bed dat te groot en te koud aanvoelde. Zijn patta’s stonden nog precies waar hij ze altijd zette, niet op het schoenenrek, maar naast de deur, bij de bank. Ik bleef staan en de tranen rolden over mijn wangen. Ik zou alles doen om Fano terug te hebben, ook al betekende het dat ik elke dag zijn schoenen moest wegzetten. Mijn zusje, die met me mee naar huis was gegaan, merkte het op en wilde ze op het rek zetten. Ik vroeg haar om alles zo te laten.
Ik wilde niets veranderen. Dit was het huis waarin ik hoorde te leven. Een huis waarin Fano nog aanwezig was. In de slaapkamer lag zijn zwarte trui nog op de stoel, de trui die hij meestal na het werk droeg. Ik had hem altijd gevraagd om die achter de deur te hangen, maar hij deed dat nooit. De geur van zijn parfum hing nog boven zijn kussen. Ik huilde tot ik in slaap viel. Ik liet alles weken staan, totdat ik sterk genoeg was om de lakens te wassen. Ik heb mezelf weken in slaap gehuild met zijn baddoek op mijn kussen en zijn kussen in mijn armen.
Ik zag elke dag zijn autosleutels, maar hij zou nooit meer achter het stuur zitten. Wat moest ik doen met de pindakaas? Hij was de enige in huis die het at. Wat moet ik doen met alle koffie in huis. Alles was een herinnering maar tegelijkertijd ook een mes dwars mijn hart. Het idee dat ik alles moest weggeven deed pijn, alsof ik alle herinneringen aan hem aan het wegwissen was. Ik wist niet wat ik met zijn kleren moest doen. Zijn lievelingsbroeken, truitjes en hemden gingen mee in zijn graf. De rest had ik weggegeven, maar een paar hield ik zelf, als herinnering. Ik weet niet of ik ze ooit zal weggeven.
De pijn en eenzaamheid na het verlies van een dierbare worden sterker als de drukte wegvalt. Als iedereen weer doorgaat met hun leven, en jij alleen achterblijft. Naarmate je het leven weer oppakt, slaat de realiteit je in het gezicht. Je bent niet alleen weduwe, maar straks ook alleenstaande ouder. Elke keuze, elk antwoord, elke verantwoordelijkheid rust nu op jou. De rekeningen moest ik zelf betalen, de auto wassen en laten onderhouden.
Niemand bij wie ik terechtkon om een fles of blik te openen. Als het perceel schoongemaakt moest worden, moest ik zelf de tuinman bellen. Het leven was zwaar. Het was voor mij onbekend terrein, maar ik leerde en ik had een support system dat me hielp. Het huis heb ik met hulp van mijn vader afgebouwd. Precies zoals Fano en ik het hadden afgesproken. Het duurde veel langer, maar ik stond erop dat zijn ideeën werden uitgevoerd. Het kreeg de kleur die hij wilde, de schutting die hij wilde, alles wat hij me had verteld liet ik precies zo uitvoeren.
Ik heb langzaam geleerd om opnieuw te leven, zonder Fano. Het is nu twee jaar geleden. Maar ik redde het. Ik deed het voor Fano, voor de plannen die we hadden, voor ons kind. Onze zoon was een bron van kracht. Zijn groei gaf mij de push om steeds sterker te worden. Toen hij geboren werd, straalde hij zoveel liefde uit. Ik noemde hem Sifrano, mijn troost, het kostbaarste nalatenschap van mijn man.

Ik hield van Fano met alles in mij. Hij was mijn partner, mijn beste vriend, mijn veilige haven. Maar ik ontdekte pas ná zijn dood hoeveel ik echt van hem hield. De dood liet mij beseffen dat hij een sterke een pilaar van stabiliteit was in mijn leven. Hij wist de wachtwoorden, betaalde de rekeningen, beheerde de websites, handelde bestellingen af. En ik leerde. Ik herinner me de momenten waarop hij me op zijn schoot liet zitten en uitlegde wat hij deed. Hij wees me stap voor stap wat ik moest doen bij een error. Ik baalde, maar hij stond erop dat ik meekeek en leerde: “Als ik er niet ben, moet je het kunnen.” En daar zat ik sosm als een student die soms een opdracht kreeg om uit te voeren. Ik leerde veel. Maar één ding had hij mij niet geleerd: hoe ik moest leven zonder hem.
Sifrano is nu bijna twee jaar oud en ik heb geleerd. Het is vermoeiend, soms frustrerend net als die avonden waarop ik moest kijken hoe zijn vader dingen deed. Maar ik heb geleerd te leven zonder mijn man, zonder een vader voor mijn kind. Ik heb geleerd te leven als alleenstaande moeder. Soms denk ik dat Fano heel trots zou zijn, als hij zou zien wat ik nu allemaal kan.
Ik ben nog steeds onderweg. Soms huil ik nog. Het ergste is dat hij niet kan meemaken hoe zijn kind groeit. Ik weet dat hij de beste vader zou zijn voor zijn kind net als hoe hij de beste echtgenoot was voor mij. Soms vraag ik me af hoe het zou zijn als Fano nog hier was.
Maar ik weet nu: Ik leef.
En elke keer als ik de rekeningen betaal, de auto laat servicen, bestellingen afhandel, Sifrano bij de oppas zet, een gebed fluister met onze zoon aan mijn zijde, of iets doe wat ik van Fano heb geleerd, denk ik: Ik mis je en ik hoop dat je trots op me bent.

Als ik één ding heb geleerd sinds ik Fano verloor, is het dit: liefde is kostbaar, kwetsbaar, en nooit vanzelfsprekend. Koester elkaar, zeg “ik hou van je” ook als je boos bent. Geef die kus, stuur dat bericht, houd elkaars hand vast, want je weet nooit wanneer het de laatste keer zal zijn.
Aan iedereen die een geliefde heeft verloren: We leren niet hoe we moeten leven zonder hen die we liefhebben. Maar we leren elke dag weer hoe we met hun liefde in ons hart, toch verder kunnen. Niet omdat we willen… maar omdat we mogen. Omdat het leven ons nog steeds roept.
—EINDE–

