Soms bid je God om kracht om moeilijkheden te doorstaan of om voor Hem te kiezen, dwars door alle omstandigheden. Maar soms maak je dingen mee waarbij je God vraagt wat je hebt gedaan om dit te verdienen.
Ik heet Brenda.
Toen Jozua en ik trouwden, waren we jong, vol vuur en vastbesloten om God samen te dienen.
Ons huwelijk was mooi. Natuurlijk hadden we onze momenten, maar niet die grote stormen waar anderen doorheen gingen. Wat mensen niet zagen, was dat ik ’s avonds soms in bed lag en in stilte huilde, terwijl ik God bleef danken met mijn mond.

God verhoorde onze gebeden. We groeiden maatschappelijk, in onze bediening en in ons geloof. Alles bloeide in ons leven.
Alles… behalve mijn baarmoeder.
Vijf jaar gingen voorbij en we hadden nog geen kind.
Vijf jaar van hopen, wachten. Vijf jaar van elke maand opnieuw teleurgesteld worden, en toch blijven geloven.
Het moeilijkste is niet wachten.
Het moeilijkste is wanneer mensen vragen stellen die je hart openscheuren.
“Waarop wachten jullie nog? Het duurt lang hoor,” zei een zuster na de dienst.

Ik glimlachte, zoals van me verwacht werd.
“Het is God die geeft hoor, dus we wachten.”
Maar zij begreep het niet: “Ja, God geeft, maar jullie moeten ook werken. Misschien moeten jullie het werk even aan de kant zetten en tijd maken voor elkaar.”
Ik voelde mijn keel dichtknijpen. Jozua zag het aan me en sprong ertussen: “Zuster, bid voor ons.”
In de auto moest ik echt huilen. Je kent dat soort huilen waarbij je borst pijn doet en je adem bijna stopt. Jozua hield mijn hand vast en zei niets.
Elke keer als iemand zwanger was, feliciteerde ik haar oprecht. Ik bad zelfs voor haar.

Maar daarna had ik een vraag voor God: “Wanneer?”
Elke baby-inzegening voelde als een mes dat langzaam werd omgedraaid. Ik glimlachte, klapte mee, zei “Amen”, terwijl mijn hart huilde.
Ik was oprecht blij voor anderen, maar toch deed het pijn.
Mensen zeiden goedbedoeld:
“Gods tijd is de beste.”
Ik zei: “Ja.”
Maar diep vanbinnen vroeg ik me af of God mij nog zag, of Hij mijn gebeden hoorde en of God oprecht dienen soms betekent dat je leert leven met een leegte.
Na zeven lange jaren gebeurde het. Ik raakte zwanger.

Ons dochter werd geboren. We noemden haar Tehilla, haar naam betekende lofprijs. En dat was ze, onze dankzegging aan God.
We deelden de getuigenis met de gemeente. Ik vertelde hoe groot en trouw Hij was. Ik meende elk woord. Mijn hart stroomde over van dankbaarheid.
Twee jaar lang was mijn wereld compleet.
Totdat ze ziek werd.
Ze was gewoon verkouden, maar het werd erger. De dokter sprak over longontsteking. We hebben gebeden en na de behandeling mocht ze naar huis.
Twee weken later stond ik weer bij haar bed. Ik hoorde haar hoesten en ging kijken.
“Jozua, Jozua!”, gilde ik terwijl ik naar de kamer rende om hem wakker te maken. “Het gaat niet zo goed met Tehilla”, zei ik.

Hij sprong uit bed, rende naar haar kamer en tilde haar op: “Hij begon gelijk te bidden terwijl ik kleren aandeed om naar het ziekenhuis te gaan”
Ze werd weer opgenomen. De dagen daarna ga ik beschrijven als wat David toen in Psalmen noemde ‘mijn dagen van benauwdheid’
Jozua en ik hebben in die dagen van benauwdheid geroepen tot God. Er was geen enkele gebedsgroep die niet gevraagd is om te bidden. We hebben gevast.
Wanneer iemand ziek is, denk je niet gelijk aan het ergste. Je bidt maar je gelooft dat de persoon zal herstellen totdat de jezelf ziet dat de situatie er niet goed uit ziet.
Ik hield haar hand vast en zei: “De duivel is een leugenaar. Ik spreek leven over je Tehilla, je zal leven en niet sterven. Je leven zal een getuigenis zijn van Gods grootheid.”
En terwijl mijn woorden nog niet eens waren uitgesproken, haalde Tehilla haar laatste adem.
Alsof God nieteeens had gewacht tot ik uitgesproken was. Alsof Hij klaar was met luisteren.
Ik schreeuwde.

Ik riep de zuster en vroeg de dokter erbij te halen. Ondanks dit alles stond ik sterk in mijn geloof. Als het dochtertje van Jaïrus weer kon leven, kon mijn Tehilla ook leven, als Elia de zoon van de weduwe kon wekken, kon ik dat ook.
“Waarom sta je te kijken?”, gilde ik tegen Jozua.
Ik bad en bad totdat Jozua zei: “Ze is bij de Heer Brenda”.
Ik wilde dat niet horen. Wat volgde was leegte en pijn die geen woorden kunnen omschrijven.
Naarmate de uren voorbijgaan, ontwikkelt de pijn zich tot boosheid en teleurstelling.
Ik zat te calculeren wat ik zo verkeerd heb gedaan dat het zo moeilijk was om zwanger te raken, wat ik had gedaan om mijn kind te verliezen. Was ik het? Was het Jozua? Of was het iets dat onze voorouders hadden gedaan? Nothing made sense.

Ik stelde God vragen waar ik nooit eerder aan had durven denken.
“Waarom gaf U ons dit kind, om haar weer af te nemen? Waar was Uw trouw toen ik bad? Was alles wat ik over U zei een leugen? Ik dacht dat U geen bidder liet staan? Alles wat ik wilde van U was een kind. Ik heb alles gedaan wat U vroeg. Ik ben trouw, ik bid, ik geef, wat wilt U nog van me. Alles wat ik kon doen heb ik gedaan om Uw hand te bewegen, maar U deed niets. Ik ben ook klaar”
Na de begrafenis ging ik wekenlang niet meer naar de diensten. Ik kon de liederen niet verdragen. Want hoe is Hij ‘God van trouw’ als Hij me in de steek heeft gelaten? Hoe is Hij goed als Hij mijn enig kind heeft genomen? Ik kon niet daar zitten en ‘amen’ zeggen terwijl ik zoveel vragen had die God moest beantwoorden.
Ik was boos op God. En eerlijk? Soms ook op Jozua, want waarom is hij nog zo zeker dat God goed is.

Hij bleef praten en mij wijzen op het Woord.
Hij zei: “Brenda, God is goed onder alle omstandigheden. We moeten Hem in alles dankzeggen.”
“Kan je me zeggen welke reden ik heb om God te danken dat Hij mij kind genomen heeft?”, vroeg ik.
“Ik heb geen antwoord op alles Brenda, maar ik weet dat onze pijn niet zal veranderen dat Hij God is en nog steeds goed is”
Maar God liet me niet los, zelfs toen ik Hem wegduwde.

Hij gaf me geen antwoorden, maar Hij bleef dichtbij me.
Ik merkte dat hoe groot mijn pijn en boosheid ook waren, ik ergens toch wist dat dichtbij God de enige plek was waar ik moest zijn.
Ik ben door het proces gegaan met pijn, verdriet en tranen. Ik heb de pijn uiteindelijk moeten geven aan de Heer en Hem vragen om mijn hart te genezen.
Dwars door alles leerde ik dat God nog steeds goed was. De pijn maakte mij niet bitter. Het verlies van een kind bracht mijn man en ik niet uit elkaar.
We zullen God niet altijd begrijpen, maar we moeten geloven en vertrouwen dat alles wat Hij doet goed is, ookal doet het ons zoveel pijn.
Jozua en ik hebben nu drie kinderen.

En soms, als ik terugdenk aan Tehilla, weet ik dit:
Ik heb geleerd dat we niet kunnen zeggen dat we alles goed hebben gedaan, dus God moet ons beschermen tegen pijn en alle andere slechte dingen.
God’s liefde is geen transactie en we begrijpen het pas beter als we een diepe relatie hebben waar we kunnen zeggen dat we God ook vertrouwen met de pijn die we nu voelen.
Dus je mag boos zijn en teleurgesteld zijn in God, maar laat die boosheid je niet maken tot een bitter persoon, maar jou juist dichter bij God brengen. Je kan God vertrouwen met je pijn en Hem de ruimte geven om je hart te genezen.
—EINDE—

