Elk jaar kom ik in december naar Suriname om weeskinderen een geweldige Kerst te geven.
Ik heet Shaista. Ik weet niet hoe het voelt om een moeder of vader te hebben.
Wat ik wel weet, is hoe het voelt om achtergelaten te worden.
Mijn moeder liet me jaren terug in het ziekenhuis achter met het excuus dat ze mijn geboorte zou gaan aangeven bij het CBB. Ze zei tegen de verpleegster: “Ik kom straks terug.”
Maar straks kwam nooit meer.

Ik was nog maar een paar dagen oud toen ik in een kindertehuis in Paramaribo terecht kwam. De directeur was mijn lievelingstante, toen ik wat ouder werd, vertelde zij me dat ik via de maatschappelijk werkster van het ’s Lands Hospitaal was binnengebracht. In het dossier stond: moeder onbekend, vader onbekend.
Nu ik terugdenk, vraag ik me af hoe, want alles wordt toch geregistreerd? Maar goed, zo is het gegaan met mij.
Mijn moeder had wel een naam achtergelaten op papier: Shaista. De vroedvrouw besloot nog een naam erbij te zetten: Ebony, omdat ze mij een prachtig zwart meisje vond.
Het leven in het tehuis was geen sprookje. We leerden vroeg om tevreden te zijn, om te delen, om zelfstandig te zijn en vooral zuinig om te gaan met onze spullen.

We waren met velen — sommigen wisten niet eens hoe ze daar gekomen waren. De meesten kwamen via instanties, de Jeugdpolitie of de kinderbescherming. Sommigen werden door hun moeders ‘tijdelijk’ afgezet, anderen opgehaald omdat thuis te gevaarlijk was.
Ik herinner me vooral de zondagen. Dan was het schoonmaakdag.
De oudere meisjes moesten samen met de tantes kleren wassen, ophangen, de jongere meisjes deden de afwas, kleren vouwen en netjes in de kast zetten, de jongens harkten en maakten het perceel samen met de tuinman schoon, iedereen moest meedoen.
We kregen kleren van het Leger des Heils en hadden elke dag te eten. Soms was het zwaar maar tante Johanna en de rest lieten ons nooit met honger.

Ik ga elk jaar terug naar het tehuis waar ik ben opgegroeid. Er is veel veranderd, maar ik zie alles nog voor me. De klerenkast in de slaapzaal die toen scheef hing, de schommelband onder de manjaboom, de broodkast, de speelzaal waar we in de middag bijles kregen van de oudere kinderen. We mochten geen ruzie maken, niet klagen, en al helemaal niet vragen waarom we geen cadeaus kregen met Kerst.
De dagen voor Kerst waren niet altijd leuk. We zagen overal lichtjes, hoorden muziek van buiten, maar binnen bleef het vaak stil. Alles wat we hadden was een kerstboom en leuke versiering in de grote zaal en leuke kerstfilms.

Op 5 december, kinderdag, kregen we soms eten van een kerk, een familie of gewoon iemand die ons blij wilde maken. Dan werd het feest, al was het voor één dag. We zongen, lachten en aten tot onze buikjes vol waren.
Niet altijd lukte het tante Johanna om ons een geweldige Kerst te geven, maar we leerden dankbaar zijn voor het leven en we maakten het leuk op onze manier. De mooiste kerst die ik me herinner waren de jaren dat Daan en Marjorie, een koppel uit Nederland, met cadeaus voor iedereen. Buiten werd dan een grote tent opgezet en versierd. We hadden leuke spelletjes, dans, muziek en vooral lekker eten, cake, bojo en kerstbrood. Ik weet nog dat ik van hun mijn eerste echte pop kreeg.

Toen Daan en Marjorie te oud werden om te reizen, gingen we terug naar onze rustige, saaie Kerst waarvoor we dankbaar moesten zijn. Als klein meisje vond ik dit jammer en droomde ervan om dit ook voor andere kinderen te doen.
Toen ik achttien werd, moest ik het tehuis verlaten, maar ik had niemand dus bleef ik tante Johanna helpen met de kids. Ik werkte en spaarde elke cent. Via Daan en Marjorie, die mijn verhaal kenden, kreeg ik de kans om naar Nederland te gaan. Daar bouwde ik mijn leven op. Maar hoe goed het daar ook ging, elk jaar in december voelde ik iets knagen. Alsof een stukje van mij achtergebleven was tussen die oude muren van het tehuis, bij die kapotte kast en de grote manjaboom.
En daarom keer ik nu elk jaar terug naar Suriname. Niet om vakantie te vieren, maar om iets terug te geven.
Ik hoor nu zoveel verhalen van tehuizen die kinderen slecht behandelen, maar tante Johanna is echt mijn moeder geweest. Door haar heb ik gestudeerd en geleerd om niet te blijven steken in mijn verhaal.
Ik bezoek elk jaar hetzelfde tehuis waar ik ooit kind was.

Bij moeder Johanna stuur ik dozen vol kleding, voedingsmiddelen, drank en speelgoed. Ze is heel oud geworden, maar herkent me nog. “Shasha mi ptieng, ie doro”, zegt ze altijd terwijl ze me een stevige brasa geef en ik glimlach, want in haar ogen ben ik nog steeds dat klein meisje.
Bij tante Johanna help ik met het versieren van de boom. De kinderen zingen kerstliedjes terwijl ik in de avond samen met andere tantes cadeautjes inpak. Vorig jaar vroeg één van de oudere meisjes:
“Tantie, hoe was kerst toen u klein was?”
Ik moest even tranen, want ik besef dat er altijd zulke kinderen zullen zijn die niets anders nodig hebben dan liefde en mensen die ze bijstaan om de pijn en trauma om te zetten in iets positiefs.

Ik zei: “Het was leuk. We hadden niet altijd veel, maar we hadden elkaar. En dat was genoeg voor ons.”
Naast het tehuis waar ik ben opgegroeid, bezoek ik ook andere tehuizen met kleding, voedingsmiddelen en kadootjes. Ik help met wat ik kan, want ik weet hoe zwaar het is om touwtjes aan elkaar te knopen zonder vaste donateurs of zekerheid, dan alleen een hart vol liefde.
Kerst voor mij is geen luxe, geen grote boom of duur cadeau.
Kerst is herinneren.
Herinneren hoe het voelde om niets te hebben en besluiten dat geen enkel kind dat gevoel meer hoeft te kennen.
Ik geef omdat iemand ooit had kunnen geven aan mij.

Ik keer elk jaar terug, omdat ik ooit ben achtergelaten.
En elke keer dat ik die kinderen zie lachen, weet ik: This is a season of love en wens ik dat elk kind een leuke Kerst kan hebben.
Ik ben Shaista.
Ik was ooit als weeskind in een tehuis in Suriname en zo vier ik elk jaar mijn kerst.
Veel opvanginstellingen hebben het zwaar om rond te komen. Rond de feestdagen wil iedereen wat extra’s doen, maar vaak is er geen geld. Jij kan deze kinderen een leuke Kerst geven door een tehuis te kiezen en te geven wat je kan.
—EINDE—

