Ze zeggen mati na dede, maar den wan f’ mi ben de mi orgi G. Het is een jaar terug dat ik uit de gevangenis ben, maar de geur van die vuile cellen achtervolgt me, alsof ik nooit ben weggegaan. Ik heet Mario. Ik heb lang nagedacht maar mi denki now mi ready fu verteer a tori disi. Ik dacht altijd dat goede mensen met schone vingers niet achter de tralies belanden. Maar nu weet ik: het zijn niet altijd je eigen handen die je daar kunnen brengen. Soms na den sma san ju nanga den e njang, moksi, e sek’ anu en dringi.
En mi no kon plei bun sma yere. Ik was niet perfect, maar bepaalde dingen heb ik nooit gedaan. Ik had een goede baan bij een transportbedrijf, verdiende genoeg om voor mijn moeder te zorgen en te sparen voor mijn eigen woning. Nooit mi fufuru, ser’ drugs naga den tra soort geweldig san dati. Mijn fout was vriendschap. Ik had drie vrienden. Ik ga geen namen noemen, omdat a tori kiri kba.
Maar we zijn samen opgegroeid op Latour. Kev, Melly en Pinto. Ze waren al op school de belhamers. Samen hebben we manja’s van meneer Perkash gestolen, maar toen den biging foer san uit wenkri heb ik duidelijk gezegd dat mi no de. Ik wist dat ze geen engeltjes waren, maar het waren mijn boys. En ik dacht… zolang ik me niet met hun rotzooi bemoeide, mi bun.

Wel, ik had het mis.
Het was een dinsdagmiddag, ef mi be sabi dat na so bo mit’ mi zou ik niet gaan. Kev bel mi om te gaan chillen met Melly. Ik was vrij dus mi go.
Ik dacht dat we gewoon kaarten zouden spelen, dring’ wan biri, tak tori, gewoon zoals we al deden. Toen ik daar aankwam, waren ze hyper, ik zag ze fluisteren en elkaar vreemd wenken, maar ik dacht zeker den de bezig nanga wan fromu. Ze weten dat ik ze altijd waarschuw dus meestal den ne wan mi sabi. Ik vroeg wat er aan de hand was, maar ze zeiden ‘niets’.
We hebben wat bier gedronken. Na een tijdje mi bereken we gaan even iets eten. Maar ze wilden niet dus mi go bai a njang. Ik had niet door dat Pinto een extra tas bij zich had. Ik zag hoe Melly telkens over zijn schouder keek, maar ik dacht aan niets vreemds. Ik wist niet dat ze net een cellshop op Noord hadden beroofd.
Na KFC mi go bai diem doro tegelijkertijd mi sjie skowtu doro. Lichten flitsten, agenten sprongen eruit. Mi sjie de man long panja maar het was al te laat. Mi skreki maar ik stond rustig. “Iedereen plat!”, schreeuwde een agent. Fos’ mi verstang san e psa wan agent poes mi. Ik ben gevallen en sloeg me mond op de harde grond.

Het ging zo snel dat ik niet wist wat er gebeurde. Ze doorzochten de tas die Pinto bij zich had. Ze vonden laptops, telefoons, chargers. Mi ati biging klop moro tranga.
“Comma mi no sab’ neks yere!” zei ik.
Maar toen we op het bureau waren en de agenten vroegen wie erbij betrokken was, zeiden Pinto, Melly en Kev allemaal hetzelfde: “Wij vieren.”
Ik keek ze aan met mond open. “Noh nefo, san we taki. Comma mi no sab’ neks fa tori disi…”
Maar die agenten wilden niets weten. Op dat moment was mijn lot bezegeld.
Op het bureau bedelde ik mijn vrienden om de waarheid te vertellen. Melly kon me niet aankijken. Pinto lachte alsof het een spelletje was. “Kande now jo stop doe lek’ ie betre moro unu”, zei hij. Kev was stil. De politie gaf niets om mijn woorden. Voor hen waren we gewoon weer een bende dieven. En omdat we samen waren, was dat genoeg.
Na een week in hechtenis was ik al vervangen op het werk. Mijn baas nam mijn telefoontjes niet eens op. De rechtszaak was nog erger. Mi, Mario, ze zeiden dat na mi ben hor’ wakti. En ik was de knapste die alles had gepland maar de gestolen spullen niet zelf droeg. Mijn advocaat zei dat het mijn woord was tegen dat van drie anderen. De rechter geloofde ze. Er waren geen camera beelden en op de dag van de diefstal was ik daar met eten voor ons allemaal. Op dezelfde locatie waar de gestolen goederen waren gevonden. Ik kreeg twee jaar celstraf.

De gevangenis was een hel. Niet alleen vanwege de tralies, het lawaai en de stank, maar vanwege de schaamte. Aladei mi be begi dat mi mma overleef a periode disi, want ik zou mezelf echt niet vergeven. Mijn moeder bezocht me elke zondag. Ze geloofde dat ik onschuldig was, maar ze zag er bezorgd uit. Ze bad altijd met me voordat ze wegging. En aladei me hoop dat mi no yere dat wan san psa nanga mi mma terwijl mi fasi.
In de gevangenis alasma e sjie ju lek crimineel. Ik was onschuldig, maar je wordt als crimineel behandeld. Op den duur begin je het zelf te geloven. Misschien was ik wel dom. Misschien is dom zijn over wie je vertrouwt ook een misdaad.
Ma mi altijd hor’ mi ede. Ik was in het begin boos, maar ik wist dat die boosheid me nergens zou brengen. Ik telde de dagen rustig.
In maand elf veranderde alles. Ik heb gehoord dat Melly niet kon leven met de schuld. Hij vertelde de waarheid dat ik onschuldig was. Hij zei dat ik er niets mee te maken had, dat ik niet eens wist van de overval. Het systeem draaide langzaam, maar uiteindelijk kwam de waarheid in de rechtszaal terecht.
Een maand later was ik vrij. Er was geen schadevergoeding. Niets. Hoofdzaak den lus’ mi en ik bekijk het verder. Vrijheid was niet wat ik had verwacht. Ik ging naar huis, maar “thuis” voelde niet meer als thuis. Mijn oude baan wilde me niet terug. Mensen in de buurt fluisterden nog steeds. Sommigen staken de straat over als ze me zagen of me sjie openlijk fa de hor’ den tas moro steifi.

Ik probeerde opnieuw te beginnen, maar de wereld vergeeft een man met een strafblad niet snel, zelfs als hij onschuldig is. En mijn zogenaamde vrienden? Mi vergeef den. Ze zitten nog vast. A libi tof en moeilijk, maar nu leef ik echt voor me moeder. Zij alleen was daar voor me. Ik zie dat ze nu weer lacht, ze is weer blij en dat geeft me kracht. Ik heb een brushcutter waarmee ik werkzaamheden verricht dus a libi e go langzaam. Mi ne give up yere. Mi lob’ a wroko san mi be doe. Ik was onschuldig dus ik hoop dat er een bedrijf is dat me weer een kans wil geven.
Ik heb naar een aantal transportbedrijven gesolliciteerd en ik ben positief.
Sommige nachten droom ik er nog steeds over de flitsende lichten van de politieauto, het geluid van de handboeien die dichtklikken, mijn eigen stem die schreeuwt: “Comma, mi no doe neks!”
A her situatie dies leer mi wan tof les: A no ala mati na mati. A moro beste naf’ loes den mati san e doe ogri.
Wat zou je doen als jij Mario was?



2 responses to “Mi eigi mati mek’ mi sroto onschuldig”
Beste Mario , Jammer hoor van dit alles .
Geef je leven aan Christus en Hij zal je leven herinrichten. Gado e kar joe .
Je gaat bloeien en van genieten . Christus had t erger . Hij is onschuldig gedood . Maar t lag allemaal in Gods plan
Vergeef en er staat iets groter voor je klaar
Bedankt voor je reactie Lisa…