DEEL 1 Mijn vader, een gesloten hoofdstuk
Ik was boos, ik haatte hem en wilde dat hij de pijn voelde die ik al die jaren heb gevoeld. Bovendien had ik mijn vriendinnen beloofd dat we nooit zouden terugkijken.
We hadden onze vaders in 2017 afgezworen op 17-jarige leeftijd. We waren met ons drieën: drie vriendinnen, drie vaders, drie verschillende mannen, maar we hadden dezelfde pijn.
Ik heet Abby, ik was toen 17, maar die belofte kwam diep uit mijn hart. Ik meende elk woord. Het was genoeg. Mijn vader was een man van beloftes, niet van daden.
“Ik kom vanmiddag langs.”
“Papa heeft het druk, maar ik mis je.”
“Ik stuur je iets voor je verjaardag.”
En elke keer zat ik te wachten, soms met mijn cijfers of leuke werkstukken. Toen ik jonger was, rende ik altijd naar buiten als er een auto langsreed. Toen ik ietsje ouder werd, stond ik gewoon op om via het raam te kijken of hij er al was. Soms viel ik in slaap op de bank, maar hij kwam nooit.

Soms huilde ik, en mijn moeder wist mij te troosten. Totdat ik door de jaren heen leerde om niet veel te verwachten. Als hij kwam, was ik blij, maar als hij niet kwam, geen probleem. Ik leerde langzaam leven met zijn afwezigheid. Ik wilde aandacht geven aan mijn moeder, die wél daar was voor mij.
Mijn vader belde soms, maar dan fluisterde hij door de telefoon, alsof ik een geheim was dat hij niet mocht liefhebben. Hij had een andere vrouw en gezin, maar ik was zijn dochter. Ik verdiende ook die aandacht en liefde. Hij woonde niet ver van ons, maar hij was nooit thuis als ik hem opzocht. Althans, dat zei zijn vrouw. De laatste keer dat ik hem opzocht, was ik zeker dat hij thuis was. Ik had hem gezien, maar zijn vrouw zei doodleuk dat hij er niet was, en hij kwam niet naar buiten.
Mijn moeder sprak zijn naam nauwelijks uit. Ze had het altijd over “je vader”, alsof hij iets niets was. Na enkele jaren voelde ik de pijn van mijn moeder en ik denk dat ze blij was dat ik uiteindelijk inzag dat hij geen relatie met ons wilde en beter met rust gelaten kon worden.
Ik leerde van hem dat wachten pijn doet. Dus ik werd hard, keihard. We zaten op Stef’s bed, zeventien jaar oud, met zwartgelakte nagels, gebroken harten en een pact:
“We gaan onze vaders nooit meer opzoeken. Alles wat we hebben, zullen we geven aan mama.”

Het waren gewoon uitgesproken, maar ik hield me aan mijn woord: nooit meer bellen of hem opzoeken, gewoon doen alsof hij niet bestond.
Zeven jaar later kreeg ik een telefoontje van een onbekend nummer.
“Spreek ik met Abbigail?”
“Ja?” antwoordde ik.
“Abby,” hoorde ik. Het was een andere stem.
“Ik ben het, papa. Ik wil met je praten. Kan je komen?”
Ik legde gelijk neer. Hoe durfde hij, na al die jaren?
Na enkele minuten kreeg ik een appbericht met een adres:
“Ik ben heel erg ziek. Ik moet je echt zien en spreken. Dit is mijn adres. Kom alsjeblieft langs.”
Ik las het bericht, maar reageerde niet. Ik belde mijn moeder en vroeg of ze wist dat papa ziek was. Ze zei nee, wat is er gebeurd? Ik vertelde haar alles en ze vroeg wat ik zou doen.
“Ik ga niet. Ik heb niets om aan hem te zeggen,” zei ik.
Later, toen mijn moeder thuis was, vroeg ze me om toch langs te gaan om te horen wat hij te zeggen had. Maar ik was te overschaduwd door mijn bitterheid.
Ik belde Stef.
Ze zei: “Misschien moet je gaan. Misschien gaat hij dood.”
Ik had besloten dat ik niet zou gaan.
Dagen en weken gingen voorbij en mijn vader liet verschillende berichten achter voor mij. Mijn moeder bleef proberen om mij op andere gedachten te brengen, maar mijn besluit stond vast:
Twee maanden daarna was hij overleden.
Als zijn oudste dochter en op advies van mijn moeder heb ik zijn begrafenis wel bijgewoond, maar ik wilde niets te maken hebben met de rituelen en alles wat gedaan werd. Ik kwam gewoon afscheid nemen van iemand.

Stef en Mel zijn bij me gebleven tot het einde, daarna zijn we naar huis gegaan.
Precies een maand later riep Stef ons bijeen.
Opvallend was dat Stef een beetje zenuwachtig deed, maar ze wilde wachten tot na het eten voordat ze ons vertelde wat er aan de hand was.
“Er is geen gemakkelijke manier om dit te zeggen,” zei ze. “Maar het moet van mijn hart.”
“Ik heb hem vergeven,” zei ze.
Natuurlijk wisten we niet waarover ze sprak, dus vroegen we: “Wie?”
“Ik heb mijn vader vergeven,” zei ze.
En toen werd het stil.

Ze vertelde dat ze bekeerd was en besloten had haar vader te vergeven en hem een kans te geven. Ze vertelde hoe haar vader veranderd was. Hoe hij erkende dat hij een slechte vader was geweest en dat hij nu zijn best deed om daar te zijn.
Wacht… had ze me daarom gezegd om naar mijn vader te gaan toen hij ziek was?
Ik stond op zonder iets te zeggen. Ik pakte mijn autosleutel en reed weg. Onderweg begon ik te beven van woede en frustratie.
Hoe kon Stef dit doen?
Ik was boos, maar ik besefte gelijk dat ik niemand de schuld kon geven. Mijn vader wilde me écht spreken. Zoveel mensen hebben me gestuurd om te gaan, maar ik weigerde. Nu vergeeft Stef haar vader.

