Soms schoonfamilie lob’ yu moni en san yu abi moro yu. Soms fos’ ie kies yu srefi a lati. Ik heet Kelvin en dit is wat mij is overkomen.
Ik weet nog toen Mona me voorstelde aan haar familie. Het was boven verwachting. Ik had een goede baan en woonde zelfstandig, dus ik was niet bang dat haar moeder me niet zou willen accepteren.
Ik werd met open armen ontvangen. Eng mma brasa mi so. Haar zussen, ja je weet hoe dames zijn dus ze giechelden en plaagden haar. Die vader woonde apart.
Ik was de eerste vriend die Mona naar huis had gebracht. Het was een leuke dag, we hebben gesproken en gelachen. Ze had lekker gekookt en ik kreeg zelf eten om mee te nemen naar huis.

Mona was de jongste van het gezin, de baby van iedereen en ik was de man die haar hart had veroverd.
In het begin was alles prachtig. Ze behandelden me als familie, gaven me bakjes eten mee naar huis,
Ik mag niet klagen. Ze hielden van me. Eten kreeg ik op tijd. We gingen samen uit met haar zussen.
Ik had niet alleen een vriendin gevonden, maar ook een tweede familie.
Maar langzaam begon alles te veranderen.
Het begon onschuldig.
“Kelvin, ie kan bai wan saka aleisi te ye kon?” appte haar moeder op een dag.
“Okay moeder”, antwoordde ik. Ik bedoel waarom niet. Ze is mijn schoonmoeder.
Ik kocht een zak rijst van 10 kilo. Toen ik aankwam zei ze: “Na a san dies ie bai. 2 dei a kba. Mi no ab moni fu gi yu yere. Mi gi yu mi dochter kba”, zei ze lachend.

Ik zou niet naar dat geld vragen, maar ik vond het vreemd dat ze niet tevreden was met 10 kilo. Ze kochten elke dag 1 kg rijst dus 10 kg was iets. Ze wilde een zak Paloma van 25 kilo. Geen probleem, dacht ik. Next time dan weet ik het.
Het bleef niet alleen bij rijst. Alle problemen van de familie lagen nu op mijn bord. Als ik niet gevraagd werd om KFC te kopen dan was het Wolly’s of iets anders.
En ik kocht het. Ze gaven me nooit geld en ik vroeg er niet om.
Ik dacht: ptieng tori.
Mona’s moeder had geen zoon en ergens leek het alsof ik die plek vulde. Maar een tijdje voelde het niet meer als liefde. Het leek alsof ik voor ze werkte.
Maar ik was hun persoonlijke chauffeur.
“Kevin, kan je ons afzetten bij de mall?”
“Kevin, kan je mama naar de poli brengen?”
“Kevin, we moeten naar een feest, je bent vrij toch?”
Soms ging Mona mee, maar meestal deed ik die dingen alleen.

Alles was Kelvin. Wasmachine is gebroken, de ijskast koelt niet meer. Alles moest ik repareren. Wat het ergste was: haar zusjes hadden allemaal een vriend.
Mannen die, voor zover ik kon zien, nooit iets deden. Ze kwamen alleen opdagen voor feestjes of etentjes, zaten op de bank met hun telefoon en toch werden ze behandeld als prinsen.
En ik? Ik was de chauffeur, ik kreeg de boodschappenlijst, ik hielp boodschappen naar binnen brengen en zat uren te wachten in de auto terwijl ze Mona en haar zussen aan het shoppen waren.
In het begin vond ik het niet erg. Maar diep van binnen begon ik langzaam wrok te voelen.
Mona leek dit alles normaal te vinden.
De druppel kwam op een dinsdagochtend.
Haar moeder had een afspraak en belde me om 7 uur ’s ochtends om haar naar de poli te brengen.
Maar ik had een belangrijke meeting op het werk.
“Ma, vandaag lukt het niet,” zei ik voorzichtig. “Ik heb iets dringends op kantoor.”
Het bleef even stil aan de andere kant.
“Fa ye bedoel?” klonk het een beetje entitled. “Da fa mo go na datra?”
Ik dacht sinds wanneer is die afspraak gemaakt.
Mona belde me boos om te vragen waarom ik haar moeder niet kon brengen. Ik was boos want ik deed alles en omdat het die ene keer niet kon, had men problemen. Vanaf dit incident besloot ik bepaalde dingen niet meer te doen. Toen begonnen allerlei verhalen. Hoe gierig ik was, hoe ik me niet druk maakte met Mona’s familie.
Mona wist alles, maar zei nooit iets. Toen ik stopte, wilde ze weten wat er aan de hand was.

Ik zei: “Je moet met je familie praten. Ze zien me als hun futuboi. Ik accepteer dat niet meer.”
Ze legde me uit hoe haar mama geen zoon heeft en dat ik de enige ben op wie ze kan rekenen.
Ik vroeg: “En de vriendjes van je zussen dan? Dat zijn toch ook zonen?”
“Ze hebben geen geld Kelvin”, zei ze.
Dus dat was ik voor ze. De man met geld. Mona kon niet inzien dat haar mensen fout waren dus na het gesprek ging ik naar huis en belde Mona de volgende dag niet. Ook de volgende dag niet.
Ik had ruimte nodig om na te denken.
Na een paar dagen stond Mona voor mijn deur.
Ze had met haar mensen gesproken en gaf toe dat ze mij misbruiken.
Eerlijk. Ik wilde boos blijven, maar ik hield van Mona. Ik zei Mona dat ik het niet erg vond om haar familie te helpen, maar dat ik niet gezien wil worden als de persoon die alle problemen moet oplossen. Ik wilde gewoon met respect behandeld worden en dat dat wat ik doe gewaardeerd wordt.
Vanaf die dag veranderde alles.

Ik krijg niet te veel verzoeken meer. Uit mezelf geef ik wel geld aan Mona om aan haar moeder te geven. Soms als ik ga neem ik eten mee voor iedereen en eind van de maand breng ik Mona en haar moeder om inkopen te doen.
Mona is nu de persoon die haar mensen aangeeft dat bepaalde dingen niet kunnen.
Soms moet je voor jezelf opkomen om niet als voetveeg gezien te worden.
Moraal van het verhaal:
Goedheid is geen zwakte. Een schoonzoon of schoondochter is geen slaaf, geen bankrekening of chauffeur. Don’t be entitled to people’s money.
Schoonfamilie: Behandel schoonzonen en dochters met liefde en respect. Respecteer hun tijd, hun geld, hun energie. Want wie vandaag uit goedheid helpt, kan morgen afstand nemen uit pijn.
En aan partners: Kom op voor elkaar. Laat je familie niet over je partner heen lopen.
—EINDE—

